Pagina opties

Groter

Gemeenteblad 2014, nr. 6 08-12-2014 Verordening ondergrondse infrastructuur Bergeijk 2015

De raad der gemeente Bergeijk;

gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 30 september 2014;
gezien het advies van de commissie GZ d.d. 04 november 2014.

gelet op artikel 149 van de Gemeentewet en artikel 5.4, vierde lid van de Telecommunicatiewet

besluit:

1. In te trekken de Telecommunicatieverordening Bergeijk 2010.
2. Vast te stellen de bijgaande Verordening ondergrondse infrastructuur Bergeijk 2015

Hoofdstuk 1: Inleidende bepalingen

Artikel 1.1. Begripsomschrijvingen

In deze verordening wordt verstaan onder:
a. beleidsregels: de door het college, aanvullend aan deze verordening, gestelde regels met betrekking tot nadeelcompensatie.
b. college: college van burgemeester en wethouders;
c. coördinatieverplichting: de coördinerende rol van het college over de aanleg, ligging, instandhouding en opruiming van alle kabels of leidingen in de gehele openbare grond;
d. gedoogplichtige: degene op wie een gedoogplicht rust als bedoeld in artikel 1, van de Belemmeringenwet Privaatrecht of in artikel 5.2, eerste lid, van de Telecommunicatiewet of via een (publiekrechtelijke) vergunning;
e. grondroerder: degene, waaronder de netbeheerder, onder wiens verantwoordelijkheid of leiding graafwerkzaamheden worden verricht;
f. (huis)aansluiting: het gedeelte van de kabel of leiding dat een netwerk verbindt met een netwerkaansluitpunt, dan wel dit gedeelte ten behoeve van een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16, onderdelen a tot en met e, van de Wet Waardering Onroerende Zaken;
g. instemmingsbesluit: besluit van het college op een melding van voorgenomen werkzaamheden aan kabels ten behoeve van een openbaar elektronisch communicatienetwerk, als bedoeld in artikel 5.4, eerste lid van de Telecommunicatiewet;
h. kabel- en leidingentunnel: voor de geleiding van kabels of leidingen aangebrachte infrastructuur, waarvan door één of meerdere grondroerders gebruik kan worden gemaakt;
i. kabels en/of leidingen: kabels of leidingen als onderdeel van een net(werk), daaronder mede begrepen de daarmee verbonden (stalen) kasten t.b.v. schakel-, verdeel- en onderstations geschikt voor het plaatsen op de openbare weg, voorzieningen en andere hulpmiddelen, behoudens voor zover deze verbindingen en hulpmiddelen liggen binnen de installatie van een producent of van een afnemer, en ook omvattende lege buizen, ondergrondse ondersteuningswerken en beschermingswerken, elektriciteitskabels, gasleidingen, waterleidingen en kabels of leidingen ten behoeve van industriële netwerken, uitgezonderd kabels- en leidingennetwerken van de gemeente;
j. kunstwerk: civieltechnisch werk voor de infrastructuur van wegen, water, spoorbanen, waterkeringen, kabels of leidingen, niet bedoeld voor permanent verblijf;
k. nadere regels: de door het college, aanvullend aan deze verordening, gestelde regels, voorwaarden en voorschriften opgenomen in een separaat handboek kabels en leidingen;
l. netbeheerder: de rechtspersoon die handelt als beheerder van een net of netwerk voor  de levering van elektriciteit, gas, water, aardwarmte of Warmte Koude Opslag, dan wel aanbieder is van een (al dan niet openbaar) elektronisch communicatienetwerk;
m. net of netwerk: een ondergrondse kabel of leiding, daaronder mede begrepen lege buizen, ondergrondse ondersteuningswerken en beschermingswerken, bestemd voor transport van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, van energie of van informatie;
n. niet-openbare kabels of leidingen: kabels of leidingen (dan wel het netwerk waartoe deze behoren) die niet gebruikt worden om openbare diensten aan te bieden;
o. openbaar elektronisch communicatienetwerk: openbaar elektronisch communicatienetwerk als bedoeld in artikel 1.1, onder h, van de Telecommunicatiewet;
p. openbare gronden: openbare gronden als bedoeld in artikel 1.1, onder aa, van de Telecommunicatiewet;
q. omwonenden: de bewoners en bedrijfsmatige gebruikers van alle percelen, grenzend  aan het tracé van kabels of leidingen;
r. registratiesysteem: geautomatiseerd systeem van het college waarin instemmingen, vergunningen en/of meldingen van (graaf)werkzaamheden aan kabels of leidingen en alles wat daarmee samenhangt worden verwerkt door of namens het college of de grondroerder;
s. spoedeisende werkzaamheden: reparatie of onderhoudswerk waarvan uitstel niet mogelijk is als een ernstige belemmering of storing in de dienstverlening via het betreffende net is opgetreden;
t. vergunning: vergunning op basis van deze verordening die bij het college aangevraagd moet worden voor voorgenomen werkzaamheden aan kabels of leidingen;
u. werkzaamheden: handmatige of mechanische (graaf)werkzaamheden, inclusief het opbreken en herstel van de sleufverharding, in de openbare grond in verband met de aanleg, instandhouding en opruiming van kabels of leidingen;
v. werkzaamheden van niet ingrijpende aard:
1. het aanbrengen of verwijderen van kabels of leidingen in reeds aangebrachte voorzieningen;reparaties of onderhoudswerk aan kabels of leidingen met een gezamenlijke lengte van minder dan vijfentwintig (25) meter en niet vallend onder spoedeisende werkzaamheden;
2. Het maken van incidentele (huis)aansluitingen, waarbij geen verhardingen of groenvoorzieningen worden gekruist, tot een gezamenlijke lengte van vijfentwintig (25) meter inclusief nieuwbouwprojecten;
3. Het maken van een montagegat of  lasgat, dat wil zeggen; een opbreking met een afmeting van maximaal 2 m², die wordt gemaakt ten behoeve van het plaatsen van een handhole, de toegang tot een handhole, plaatsen van afsluiters, het opgraven van een kabelrol ten behoeve van klantaansluitingen, het maken van aftakkingen, voor het herstellen van kabel of leidingstoringen of voor inspectiedoeleinden.

Artikel 1.2. Toepasselijkheid

1. Deze verordening is van toepassing op de aanleg, de ligging, het (in stand) houden, het onderhoud, de exploitatie, het verleggen/verplaatsen en het verwijderen van kabels of leidingen in of op openbare gronden, voor zover de gemeente deze gronden beheert, in bezit heeft dan wel daarover coördinatieverplichtingen heeft en in of op kunstwerken.

Artikel 1.3. Nadere regels

1. Het college stelt ter uitvoering van deze verordening nadere regels vast.
2. Deze nadere regels hebben in ieder geval betrekking op:
a. het tijdstip, de plaats en de wijze van uitvoering bij de aanleg, onderhoud, verplaatsing en opruiming van kabels of leidingen;
b. ordening, planning en coördinatie van werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding en opruiming van kabels of leidingen;
c. de omgang met kabels of leidingen in verontreinigde gronden, rond watergangen en stedelijk groen, en op verhardingen boven kabels of leidingen.

Hoofdstuk 2: Werkzaamheden inzake kabels of leidingen, uitgezonderd kabels ten dienste van een openbaar elektronisch communicatienetwerk

Artikel 2.1. Vergunning

1. Het is verboden zonder vergunning van het college of in afwijking van een verleende vergunning kabels of leidingen in, op of boven openbare gronden en in of op kunstwerken:
a. aan te leggen en of te houden;
b. te liggen;
c. te onderhouden of te exploiteren;
d. te wijzigen;
e. te verplaatsen;
f. een andere functie te geven of;
g. te verwijderen.

2. Voor het verrichten van spoedeisende werkzaamheden of werkzaamheden van niet ingrijpende aard is geen vergunning, als bedoeld in het eerste lid, noodzakelijk, maar kan worden volstaan met een (digitale) melding vooraf aan het college.

Artikel 2.2. Aanvragen en melden

1. Een vergunning wordt door het college op aanvraag aan de grondroerder verleend, nadat is gebleken dat wordt voldaan aan het bepaalde bij of krachtens deze verordening.
2. De vergunning dient 8 weken voor aanvang werkzaamheden te worden aangevraagd.
3. Een grondroerder die werkzaamheden wil verrichten, kan hierover vooroverleg voeren met het college om de aanvraag, als bedoeld in het eerste lid voor te bereiden.
4. Als de werkzaamheden ook betrekking hebben op gronden van een andere gedoogplichtige wordt uiterlijk vier weken na ontvangst van de aanvraag, als genoemd in het eerste lid, het college schriftelijk in kennis gesteld van de uitkomsten van het (voor)overleg tussen de grondroerder en de overige gedoogplichtige(n).
5. Werkzaamheden van niet ingrijpende aard dienen minimaal vijf (5) werkdagen voorafgaand aan de start van de werkzaamheden gemeld te worden.
6. Spoedeisende werkzaamheden dienen voorafgaand aan de start van de werkzaamheden gemeld te worden. Als een melding vooraf niet mogelijk is, dient de melding uiterlijk vóór 09.00 uur op de eerste werkdag na de start van de uitvoering te worden gedaan aan het college. Indien achteraf blijkt dat de uitgevoerde werkzaamheden vergunningplichtig zijn, dient er alsnog een vergunning aangevraagd te worden.
7. Het college kan gebieden aanwijzen waarvoor de uitzonderingsbepalingen voor spoedeisende werkzaamheden of werkzaamheden van niet ingrijpende aard, als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, niet van toepassing zijn. 

Artikel 2.3. Weigeren, wijzigen of intrekken vergunning

1. Het college kan de vergunning weigeren in het belang van:
a. de openbare orde
b. de openbare veiligheid
c. de volksgezondheid
d. de bescherming van het milieu

2. Het college kan de vergunning wijzigen of intrekken, indien:
a. de grondroerder niet binnen een jaar na het onherroepelijk worden van de vergunning met de werkzaamheden als omschreven in de vergunning is begonnen;
b. de in de vergunning benoemde werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van zes maanden stilliggen;
c. de netbeheerder kabel(s) of leiding(en) definitief buiten gebruik heeft gesteld;
d. de vergunning is verleend op basis van onjuiste of onvolledige gegevens;
e. de vergunning in strijd met enig wettelijk voorschrift is afgegeven;
f.  de grondroerder het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de vergunningvoorschriften niet naleeft;
g. na het verlenen van de vergunning naar het oordeel van het college gegronde aanleiding bestaat te veronderstellen dat het van kracht blijven van de vergunning onaanvaardbare schadelijke gevolgen heeft voor mens, natuur of milieu en hieraan door het stellen van nadere voorschriften en beperkingen aan de verleende vergunning niet kan worden tegemoetgekomen;
h. dit naar het oordeel van het college redelijkerwijs nodig is vanwege de uitvoering van gemeentelijke werkzaamheden van openbaar belang en algemeen nut;
i. er sprake is van verkoop van gronden in eigendom van gemeente, behorende tot de openbare ruimte, aan derden.
3. Het college gaat niet over tot intrekking of wijziging van de vergunning voordat het college de houder van de vergunning de gelegenheid heeft gegeven om zijn zienswijze naar voren te brengen.
4. Aan het besluit tot wijziging of intrekking van de vergunning kan de verplichting worden verbonden om de betreffende kabel(s) of leiding(en) te verleggen/verplaatsen of deze te verwijderen. 

Artikel 2.4 Intrekken vergunning op verzoek netbeheerder

1. Het college trekt de vergunning in indien de netbeheerder schriftelijk aan het college heeft verklaard van de vergunning geen gebruik meer te willen maken.
2. Degene die een schriftelijke verklaring als bedoeld in het eerste lid afgeeft, wordt gedurende de tijd dat de kabel of leiding na de verklaring nog in de openbare ruimte aanwezig is, beschouwd als netbeheerder tenzij de leiding is overgedragen of wordt geëxploiteerd of beheerd door een andere natuurlijke dan wel rechtspersoon, in welk geval laatstgenoemde persoon als netbeheerder wordt beschouwd.

Hoofdstuk 3:  Werkzaamheden inzake kabels ten diensten van een openbaar elektronisch communicatienetwerk

Artikel 3.1. Instemmingsbesluit

1. Het is verboden zonder instemmingsbesluit of in afwijking van een verleend instemmingsbesluit kabels in, op of boven openbare gronden en in of op kunstwerken:
a. aan te leggen en of te houden;
b. te onderhouden of te exploiteren;
c. te wijzigen;
d. te verplaatsen;
e. een andere functie te geven of;
f. te verwijderen.
2. Voor het verrichten van spoedeisende werkzaamheden of werkzaamheden van niet ingrijpende aard is geen instemmingsbesluit, als bedoeld in het eerste lid, noodzakelijk, maar kan worden volstaan met een (digitale) melding vooraf aan het college.
3. Het instemmingsbesluit vervalt indien daarvan geen gebruik wordt gemaakt binnen één jaar na de datum waarop het besluit onherroepelijk is geworden.

Artikel 3.2. Aanvragen en melden

1. Een instemmingsbesluit wordt door het college op aanvraag aan de grondroerder verleend, nadat is gebleken dat wordt voldaan aan het bepaalde bij of krachtens deze verordening.
2. Een grondroerder die werkzaamheden wil verrichten, kan hierover vooroverleg voeren met het college om de aanvraag, als bedoeld in het eerste lid van dit artikel voor te bereiden.
3. Als de werkzaamheden ook betrekking hebben op gronden van een andere gedoogplichtige dan de gemeente Bergeijk wordt uiterlijk vier weken na ontvangst van de aanvraag, als genoemd in het eerste lid, het college schriftelijk in kennis gesteld van de uitkomsten van het (voor)overleg tussen de grondroerder en de overige gedoogplichtige(n).
4. Werkzaamheden van niet ingrijpende aard dienen minimaal vijf (5) werkdagen voorafgaand aan de start van de werkzaamheden gemeld te worden.
5. Spoedeisende werkzaamheden dienen voorafgaand aan de start van de werkzaamheden gemeld te worden. Als een melding vooraf niet mogelijk is, dient de melding uiterlijk vóór 09.00 uur op de eerste werkdag na de start van de uitvoering te worden gedaan aan het college. Indien achteraf blijkt dat de uitgevoerde werkzaamheden instemmingsplichtig zijn, dient er alsnog een instemmingsbesluit aangevraagd te worden.
6. Het college kan gebieden aanwijzen waarvoor de uitzonderingsbepalingen voor spoedeisende werkzaamheden of werkzaamheden van niet ingrijpende aard, als bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, niet van toepassing zijn. 

Artikel 3.3. Intrekken instemmingsbesluit

1. Indien een grondroerder zich niet houdt aan de voorschriften en beperkingen uit het instemmingsbesluit, kan het college het instemmingsbesluit intrekken. Het college gaat niet over tot intrekking of wijziging van het instemmingsbesluit voordat het college de houder van het instemmingsbesluit de gelegenheid heeft gegeven om zijn zienswijze naar voren te brengen.
2. Aan het besluit tot intrekking van het instemmingsbesluit kan de verplichting worden verbonden om de betreffende kabel(s) te verleggen/verplaatsen of deze te verwijderen.

Artikel 3.4. (Mede)gebruik van voorzieningen

1. Een grondroerder is verplicht om bij de aanleg van kabels of leidingen in openbare gronden zoveel mogelijk (mede)gebruik te maken van bestaande, hetzij door andere netbeheerders dan wel door of in opdracht van het college aangelegde voorzieningen.
2. Het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.2., tweede lid, dan wel een door het college geïnitieerd overleg naar aanleiding van een aanvraag als bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, is er mede op gericht te bepalen of en zo ja langs welke delen van het tracé gebruik kan worden gemaakt van bestaande voorzieningen als bedoeld in het eerste lid.
3. Indien de openbare gronden geen ruimte bieden voor de aanleg van nieuwe leidingen, dient  de grondroerder een alternatief tracé te kiezen, of aan een netbeheerder een billijk verzoek tot medegebruik van leidingen te doen, op grond van artikel 5.12, van de Telecommunicatiewet.

Hoofdstuk 4:  Algemene bepalingen

Artikel 4.1. Gegevensverstrekking

1. Voor het aanvragen van een vergunning of een instemmingsbesluit wordt gebruik gemaakt van daartoe door het college vastgestelde formulieren of registratiesysteem.
2. Bij een aanvraag om een vergunning of een aanvraag voor een instemmingsbesluit worden de navolgende gegevens verstrekt:
a. een schriftelijke machtiging als het een aanvraag betreft voor de aanleg, instandhouding en opruiming van kabels of leidingen voor of namens een netbeheerder;
b. naam-, adres- en woonplaatsgegevens van de eigenaar, beheerder en exploitant van de kabels of leidingen en van de (onder)aannemer(s) die belast zijn met de werkzaamheden, en de naam en het telefoonnummer van de uitvoerder voor de werkzaamheden;
c. een opgave van het aantal, de soort en het beoogde gebruik van de kabels of leidingen;
d. welke belanghebbenden en instanties vooraf in kennis worden gesteld van de voorgenomen datum van aanvang, beëindiging en aard van de werkzaamheden;
e. een (digitale) tekening in pdf-formaat  van het gewenste tracé ingetekend op de GBKN (schaal 1:500), dit geldt voor bestaand gebied. De tekening dient voorzien te zijn van:
i. een tekeninghoofd met een uniek tekeningnummer en een datum waarbij de datum van de laatste wijziging geldt;
ii. een noordpijl;
iii. voor Synfra-partners een Gemma-nummer, waaruit blijkt dat de werkzaamheden zijn aangemeld;
iv. het aantal kabels of leidingen inclusief de materiaalsoort en tevens de diameter van de leiding(en).
f. voor gebieden die in ontwikkeling zijn wordt de kabel- of leidingtracétekening, zoals vastgesteld door het college, gebruikt voor de aanvraag van een vergunning dan wel een instemmingsbesluit;
g. een opgave van de objecten, zowel van permanente als tijdelijke aard, die ten tijde van de werkzaamheden worden geplaatst en de situering daarvan op de tekening;
h. de doorsnede van de kabel of leiding(goot) en lengte en breedte van de te graven sleuf;
i. een omschrijving van eventuele opbrekingen;
j. het voorgenomen tijdstip van aanvang en beëindiging van de werkzaamheden.
3. Indien de werkzaamheden betrekking hebben op kabels van elektronische communicatienetwerken dienen, aanvullend op het tweede lid, bij de aanvraag tevens de volgende gegevens te worden verstrekt:
a. een opgave van het aantal kabels dat direct in gebruik wordt genomen;
b. een opgave van het aantal kabels dat niet direct in gebruik wordt genomen.
4. Bij een melding (ten behoeve van spoedeisende werkzaamheden of werkzaamheden van niet ingrijpende aard), dienen de volgende gegevens verstrekt te worden:
a. een schriftelijke machtiging indien het een aanvraag betreft voor de aanleg, instandhouding en opruiming van kabels en/of leidingen voor of namens een netbeheerder;
b. naam, adres en woonplaatsgegevens van de eigenaar, beheerder en exploitant van de kabels of leidingen, naam en adres van de (onder)aannemer(s) die belast zijn met de werkzaamheden, en de naam en het telefoonnummer van de uitvoerder voor de werkzaamheden;
c. het adres van de graaflocatie;
d. de dagtekening van de melding;
e. de lengte van de sleuf die wordt opengebroken;
f. het oppervlak dat wordt opengebroken indien het alleen een montagegat betref.
5. Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de gegevens die bij de aanvraag moeten worden verstrekt en over de wijze waarop deze worden verstrekt.
6. Het college stelt nadere regels vast over welke gegevens en documenten noodzakelijk zijn voor de beoordeling van bijzondere constructies. 

Artikel 4.2. Beslistermijnen

1. Een beslissing op een aanvraag voor een vergunning of een instemmingsbesluit wordt genomen uiterlijk acht weken na de dag van ontvangst van de aanvraag. Het college kan de beslissing voor ten hoogste vier weken verdagen.
2. Betreft het een aanvraag waarbij meerdere gedoogplichtigen zijn betrokken dan beslist het college binnen acht weken na de dag van ontvangst van een volledige aanvraag.
3. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

Artikel 4.3. Voorschriften en beperkingen

1. Het college kan aan de vergunning of het instemmingsbesluit  nadere voorschriften of beperkingen verbinden in het belang van:
a. de openbare orde;
b. veiligheid, waaronder mede verstaan wordt de verkeersveiligheid of een goede doorstroming van het verkeer;
c. het voorkomen of beperken van schade of overlast; waaronder mede verstaan wordt de bescherming van eventuele archeologische vondsten, van groenvoorzieningen, bomen en beplantingen en van het uiterlijke aanzien van de omgeving;
d. de bereikbaarheid van gronden of gebouwen, waaronder mede verstaan wordt het veilig en doelmatig gebruik van openbare gronden en gebouwen en het doelmatig beheer en onderhoud ervan en het belang van nader aan te geven grote lokale evenementen als weekmarkten en kermissen;
e. de ondergrondse ordening, waaronder mede verstaan wordt het zo min mogelijk hinder veroorzaken voor reeds in de grond aanwezige werken en het niet in gevaar brengen of zonder noodzaak bemoeilijken van deze werken, waaronder mede verstaan worden werken ten behoeve van de riolering en de levering of het transport van elektronische informatie, gas, water en elektriciteit.
2. De voorschriften of beperkingen, zoals genoemd in het eerste lid, hebben betrekking op:
a. het tijdstip, de plaats en wijze van uitvoering bij aanleg, instandhouding, onderhoud, verplaatsing en opruiming van kabels of leidingen;
b. het medegebruik van voorzieningen, zoals kabelgoten en geleidingen, die door derden of het college tegen marktconforme prijzen ter beschikking worden gesteld;
c. het afstemmen van de voorgenomen werkzaamheden met beheerders van overige in de grond aanwezige werken;
d. afmetingen van kasten, handholes en andere toebehoren behorende bij het netwerk, niet zijnde een openbaar elektronisch communicatienetwerk.
3. De grondroerder start de werkzaamheden binnen een jaar na de datum van  vergunningverlening of instemmingsbesluit en voltooit de werkzaamheden zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen 6 maanden na aanvang, tenzij in de vergunning of het instemmingsbesluit anders is bepaald.
4. De grondroerder informeert omwonenden schriftelijk van de uit te voeren werkzaamheden over aanvang, duur, aard en plaats van de werkzaamheden.
5. De wijze van uitvoering bij aanleg, onderhoud, verplaatsing en opruiming van kabels of leidingen en medegebruik van voorzieningen gebeurt volgens de door het college vastgestelde nadere regels.
6. De grondroerder vergoedt aan het college de schade voortvloeiend uit de werkzaamheden, waarbij de omvang beperkt is tot vergoeding van de marktconforme kosten van de door het college ter beschikking gestelde voorzieningen en van de meerdere marktconforme kosten van onderhoud.
7. De grondroerder is verplicht na het einde van de werkzaamheden de grond, eventuele verhardingen en beplanting terug te brengen in de oude staat, tenzij het college vooraf heeft aangegeven hier zelf zorg voor te willen dragen.
8. Het college stelt nadere regels op voor het in rekening brengen van de kosten voor herstel, beheer, onderhoud en degeneratie van de openbare ruimte die het rechtstreekse gevolg zijn van uitgevoerde werkzaamheden aan leidingen in de openbare ruimte.
9. Indien een grondroerder binnen 5 jaar na groot onderhoud of herinrichting van de openbare gronden werkzaamheden wil uitvoeren, kan het college bijzondere voorwaarden stellen aan het herstel. De hiermee gepaard gaande kosten zijn voor rekening van de grondroerder.
10. Ten aanzien van het herstellen van bijzondere bestrating stelt het college nadere regels vast.

Hoofdstuk 5:  Overige bepalingen

Artikel 5.1. Nadeelcompensatie

1. Het college kan beleidsregels opstellen voor een door het college op aanvraag toe te kennen financiële tegemoetkoming (bij wijze van nadeelcompensatie) in het geval dat een netbeheerder als gevolge van een besluit van het college, inhoudende een intrekking of wijziging van een vergunning op grond van artikel 2.3, tweede lid onderdeel g, h of i, schade lijdt of zal lijden die redelijkerwijs niet of niet geheel tot het normale bedrijfsrisico kan worden gerekend en de vergoeding van deze schade niet op een andere wijze is verzekerd.

Artikel 5.2. Eigendom

1. Indien eigendom, exploitatie of beheer van de kabel of leiding wordt overgedragen aan een andere netbeheerder, gaan de rechten en plichten volgens deze verordening die betrekking hebben op de kabel of leiding van rechtswege over op de nieuwe netbeheerder.
2. De netbeheerder stelt het college onverwijld in kennis van het feit dat het eigendom, de exploitatie of het beheer van de kabel of leiding verandert.
3. Op het eigendom van de kabels of leidingen zijn de desbetreffende wettelijke bepalingen van toepassing.

Artikel 5.3. Niet-openbare kabels of leidingen

1. Bij werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding en opruiming van niet-openbare kabels of leidingen in openbare wegen en wateren is het bepaalde in deze verordening van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5.4. Informatieplicht

1. De netbeheerder stelt het college onverwijld en schriftelijk in kennis van het feit dat een kabel of leiding niet langer ten dienste staat van een net of netwerk in of op openbare gronden.
2. In dit kader kan van de netbeheerder een overzicht van alle (niet) in gebruik zijnde kabels of leidingen worden verlangd. De bewijslast van ingebruikname ligt bij de netbeheerder.

Artikel 5.5. Overleg

1. Het college kan periodiek een overleg organiseren, waarvoor de bij de gemeente Bergeijk bekende netbeheerders en andere betrokken of belanghebbende partijen worden uitgenodigd.
2. In dit overleg worden de plannen van het college en van de diverse netbeheerders en andere betrokken of belanghebbende partijen besproken en eventueel afgestemd in het kader van de bepalingen van deze verordening.

Hoofdstuk 6: Handhavings- en toezichtsbepalingen

Artikel 6.1. Toezicht en handhaving

1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de bij besluit van het college aangewezen personen.

Artikel 6.2. Bevoegdheid college

1. Het college is bevoegd de werkzaamheden stil te leggen, indien er wordt gewerkt:
a. zonder voorafgaande aanvraag voor een vergunning of instemmingsbesluit of melding (ten behoeve van spoedeisende werkzaamheden of werkzaamheden van niet ingrijpende aard);
b. zonder vergunning of instemmingsbesluit of zonder toestemming ingeval van meldingsplicht;
c. in afwijking van de uitvoeringsvoorschriften;
d. in afwijking van de voorschriften uit de vergunning of het instemmingsbesluit.

Hoofdstuk 7: Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 7.1. Overgangsbepalingen

1. Voor kabels of leidingen die op de datum van inwerkingtreding van deze verordening aanwezig en in gebruik zijn geldt de schriftelijke instemming dan wel vergunning op grond waarvan zij gelegd zijn als een vergunning- respectievelijk instemmingsbesluit krachtens deze verordening.
2. Indien vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een melding is gedaan op grond van de Telecommunicatieverordening Bergeijk 2010, maar waarop nog niet is beslist, wordt daarop deze verordening toegepast.

Artikel 7.2. Slotbepalingen

Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na bekendmaking.

Aldus besloten in de openbare vergadering van de gemeenteraad van Bergeijk van 27 november 2014.


De gemeenteraad,

H.G.M. van de Vondervoort
Voorzitter

J.M. van Dongen-Hermans
De griffier