Pagina opties

Groter

Gemeenteblad 2015, nr. 10 07-05-2015 Besluit Maatschappelijke Ondersteuning 2015


 

Burgemeester en wethouders van de gemeente Bergeijk;

gelet op de artikelen 11, 12, 13, 15 en 20 van de Wmo Verordening 2015;

gelezen het voorstel d.d. 9 december 2014;

besluit vast te stellen:

Besluit Maatschappelijke Ondersteuning 2015

Hoofdstuk 1 – Het persoonsgebonden budget (PGB)

Artikel 1.1

Voor de uitbetaling van het PGB wordt per 1 januari 2015 een zogenoemd trekkingsrechtmodel gehanteerd. Hierbij krijgen pgb houders geen geld meer op de eigen rekening gestort, maar wordt op factuurbasis uitbetaald aan de door de PGB-houder gecontracteerde zorgverlener. Dit trekkingsrecht wordt uitgevoerd door de Sociale Verzekeringsbank (SVB). De PGB houder is verplicht zich te houden aan de door de SVB gestelde bepalingen rondom het trekkingsrecht. Niet voldoen aan de bepalingen van de SVB t.a.v. het trekkingsrecht kan tot gevolg hebben dat het PGB wordt ingetrokken.

Een incidenteel PGB, voor de eenmalige aanschaf van een maatwerkvoorziening, wordt niet via de SVB afgehandeld, maar door de gemeente zelf financieel afgewikkeld.

Artikel 1.2

Het incidenteel persoonsgebonden budget voor vervoersvoorzieningen, roerende woonvoorzieningen en rolstoelen wordt vastgesteld overeenkomstig de bruikleenvergoeding die de gemeente aan haar leverancier verschuldigd zou zijn voor de goedkoopst adequate voorziening inclusief standaardaanpassingen. De hoogte wordt bepaald op 72 x het maandelijkse huurbedrag. Voor individuele aanpassingen aan de vervoersvoorziening of rolstoel wordt een aanvullend eenmalig pgb verstrekt.

Het persoonsgebonden budget voor voorzieningen van niet bouwkundige of niet-woontechnische aard wordt vastgesteld voor een periode overeenkomend met de normale afschrijvingstermijn die, voor zover van toepassing, geldt voor de met het pgb te verwerven voorziening, met een maximum van 15 jaar.

Een eenmalig pgb wordt uitbetaald nadat de cliënt de facturen heeft overlegd aan de gemeente en deze de facturen heeft gecontroleerd en akkoord heeft bevonden.

Artikel 1.3

De pgb-houder die een periodiek pgb ontvangt, verantwoordt het pgb jaarlijks, op verzoek, op de wijze die daartoe is voorgeschreven. De pgb houder wordt tijdig over de af te leggen verantwoording geïnformeerd.

De verantwoording bij de verstrekking van een eenmalig pgb kan geschieden door overlegging van de aankoopnota of een aankoopbewijs.

Indien het pgb wordt verstrekt voor een bouwkundige voorziening wordt het definitieve pgb vastgesteld en uitbetaald na gereedmelding van de voorziening.

Artikel 1.4

Het tarief voor een pgb, uitgevoerd door een professional:

is gebaseerd op het te bereiken resultaat

is toereikend om effectieve en kwalitatief goede zorg in te kopen

bedraagt ten hoogste 80% van de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate voorziening in natura.

Als een aanvrager met het pgb een voorziening wil bekostigen die duurder is dan betaald kan worden met het pgb, dan mag het pgb niet op voorhand geweigerd worden. Indien het tarief van de door de aanvrager gewenste aanbieders hoger is, blijft de hoogte van het pgb gelijk aan het tarief dat is bepaald op basis van hierboven genoemde punten. De extra kosten om de ondersteuning uit het pgb te contracteren, worden betaald door de aanvrager. Ondanks de hogere uurprijs mag het aantal ingekochte uren niet verlaagd worden. Er moet door de cliënt wel aan de indicatie worden voldaan.

Artikel 1.5

Het tarief voor een pgb voor ondersteuning door een persoon uit het sociale netwerk, bedraagt ten hoogste € 20,00 per uur, maar niet meer dan 80% van het toepasselijke tarief voor Zorg in Natura. Dit tarief kan jaarlijks door het college worden geïndexeerd.

Artikel 1.6

Voor ondersteunende dienstverlening zoals juridisch advies, loondoorbetaling bij ziekte, wettelijke aansprakelijkheidsverzekering en salarisadministratie bij werkgeverschap, kan de belanghebbende een beroep doen op de Sociale Verzekeringsbank mits de belanghebbende voldaan heeft aan de door de SVB gestelde voorwaarden.

Hoofdstuk 2 – Eigen bijdrage

Artikel 2.1

Wettelijk is bepaald dat de berekening en de inning van de eigen bijdrage voor maatwerkvoorzieningen of een PGB geschiedt door het Centraal Administratie Kantoor (CAK).

Aangezien de gevallen bedoeld in artikel 2.1.4, zevende lid van de wet (wat betreft de (crisis)opvang), vallen onder verantwoordelijkheid van de centrumgemeente, wordt het aan de centrumgemeente over gelaten om te bepalen welke instantie de eigen bijdrage zal vaststellen en innen.

Artikel 2.2

De bedragen per vier weken, de inkomensbedragen en de percentages die gelden voor de berekening van de eigen bijdrage door het CAK zijn gelijk aan die genoemd in artikel 3.1, eerste lid, van het (landelijk vastgestelde) Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.

Artikel 2.3

In de verordening is opgenomen dat voor maatwerkvoorzieningen en PGB’s een eigen bijdrage verschuldigd is. Voor de volgende maatwerkvoorzieningen is echter geen eigen bijdrage verschuldigd:

  • rolstoelen
  • verhuiskostenvergoeding
  • bezoekbaar maken van de woning
  • vergoeding voor onderhoud en reparatie
  • voorzieningen waarvan de aanschafkosten lager zijn dan € 250,00
  • vergoeding voor tijdelijke huisvesting en huurderving
  • vervoersvoorzieningen zoals bedoeld in artikel 5.1, 5.2 en 5.3.

Artikel 2.4

Indien het college een voorziening opricht of subsidieert, waarna deze een functie vervult als algemene voorziening, wordt voor die voorziening bepaald of er een eigen bijdrage verschuldigd is bij het gebruik van deze voorziening.

Indien een eigen bijdrage verschuldigd is, dan bepaalt het college de hoogte van de eigen bijdrage die betaald moet worden.

Hoofdstuk 3 – Hulp bij het huishouden en begeleiding

Artikel 3.1

De belanghebbende kan, bij de maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden in natura, een keuze maken tussen de zorgaanbieders met wie de gemeente na een aanbesteding een contract heeft gesloten. De tarieven per uur hulp bij het huishouden vallen binnen een bij de aanbesteding afgesproken bandbreedte en worden jaarlijks geïndexeerd.

Artikel 3.2

De belanghebbende kan, bij de maatwerkvoorziening begeleiding in natura, een keuze maken tussen de aanbieders waarmee de gemeente een contract heeft gesloten na de aanbesteding. De tarieven zijn vastgesteld per resultaat. De indicatie door de Wmo consulent bepaalt het resultaat dat bereikt moet worden. Op grond van het te bereiken resultaat kan de cliënt afspraken maken met de zorgaanbieder van zijn keuze.

De tarieven voor begeleiding zijn voor alle aanbieders gelijk vastgesteld in de aanbesteding en worden jaarlijks geïndexeerd.

Voor begeleiding gelden in 2015 de volgende tarieven:
Cliëntprofiel Stabiliteit en behoud Vergoeding per maand

1. Enkelvoudig                                                                           243 euro
2. Enkelvoudig complex of meervoudig                                    492 euro
3. Meervoudige complex                                                        1.141 euro

Cliëntprofiel Verandering en groei Vergoeding per maand

1. Enkelvoudig                                                                           332 euro
2. Enkelvoudig complex of meervoudig                                    596 euro
3. Meervoudige complex                                                        1.155 euro

Cliëntprofiel Welbevinden Vergoeding per maand

1. Enkelvoudig                                                                           244 euro
2. Enkelvoudig complex of meervoudig                                    458 euro
3. Meervoudige complex                                                        1.082 euro

Overige Vergoeding per aanwezige dag

Opslag rolstoelvervoer                                                           16,50 euro

Artikel 3.3

Voor ondersteunende dienstverlening zoals juridisch advies, loondoorbetaling bij ziekte, wettelijke aansprakelijkheidsverzekering en salarisadministratie bij werkgeverschap, kan de belanghebbende een beroep doen op de Sociale Verzekeringsbank mits de belanghebbende voldaan heeft aan de door de SVB gestelde voorwaarden.

Hoofdstuk 4 – Woonvoorzieningen

Artikel 4.1

Het college stelt voor woonvoorzieningen het voorlopige pgb vast:

direct na de selectie indien de kosten vooraf duidelijk zijn te bepalen;

na ontvangst van de offerte(s).

Artikel 4.2

Indien de kosten voor een woningaanpassing hoger zijn dan € 7.500 (het verhuisprimaatbedrag) dient het primaat van verhuizing afgewogen te worden.

Artikel 4.3

Indien het primaat van verhuizing wordt toegepast, conform artikel 4.4.4 van de Wmo beleidsregels, kan een verhuiskostenbudget worden toegekend. Het budget voor de verhuiskosten bedraagt voor een alleenstaande € 2.850 voor een echtpaar € 3.450 en voor een meeverhuizend gezinslid € 600 tot een maximum van € 5.250 per gezin.

Artikel 4.4

Het budget dat als maximum verstrekt wordt voor het bezoekbaar maken van een woning als genoemd in artikel 4.4.3 van de Wmo beleidsregels bedraagt € 4.000.

Artikel 4.5

Indien de woning van belanghebbende, na uitbreiding in verband met een aanpassing, in waarde vermeerdert, dient het deel van de aanpassingskosten dat overeenkomt met het bedrag van de waardevermeerdering door belanghebbende zelf te worden bekostigd.

Belanghebbende kan, ten behoeve van de waardebepaling, zelf een onafhankelijk erkend taxateur aanwijzen.

Indien belanghebbende, aantoonbaar, de kosten niet zelf kan financieren kan een rentevrije en aflossingsvrije hypotheek door de gemeente worden genomen. Belanghebbende dient twee afwijzingen van erkende hypotheekverstrekkers te overleggen.

Kosten van taxatie en vestiging van hypotheek komen voor rekening van de gemeente.

Hoofdstuk 5 – Vervoersvoorzieningen

Artikel 5.1

Indien belanghebbende in aanmerking komt voor deelname aan het collectief vraagafhankelijk vervoer maar in het bezit is van een eigen, in goede staat verkerende, auto kan hij in plaats van deelname aan het collectief vervoer in aanmerking komen voor een pgb voor de aanpassing van zijn auto tot een maximum bedrag van € 2.300.

Artikel 5.2

Indien de belanghebbende bij de toekenning van een vervoersvoorziening geheel afhankelijk is van vervoer door een individuele taxi, waardoor gebruik van het collectief vraagafhankelijk vervoer in het geheel niet mogelijk is, kan een budget worden verstrekt op declaratiebasis. Het budget bedraagt voor taxivervoer maximaal € 5.900 per jaar en voor vervoer per rolstoeltaxi € 7.800 per jaar.
In afwijking van het gestelde in het eerste lid gelden voor kinderen tot 16 jaar de onderstaande budgetten:

- 0 tot 4 jaar:           geen vergoeding
- 4 tot 12 jaar:         per jaar 25 % van het normbudget
- 12 tot 16 jaar:       per jaar 50 % van het normbudget

Artikel 5.3

Bij gebruik van het collectief vraagafhankelijk vervoer worden aan de belanghebbende 700 zones op jaarbasis toegekend.

Hoofdstuk 6 – Rolstoelvoorzieningen

Artikel 6.1

Een incidenteel pgb voor de aanschaf van een sportrolstoel of vergelijkbare sportvoorziening wordt vastgesteld op maximum van € 2.900 voor een periode van 3 jaar. In dit budget is tevens het onderhoud begrepen.

Hoofdstuk 7 – Slotbepalingen

Artikel 7.1

De bedragen genoemd in dit Besluit maatschappelijke ondersteuning worden jaarlijks geïndexeerd conform de prijsontwikkeling op basis van de consumentenprijsindex alle huishoudens van het Centraal bureau voor de Statistiek.

Artikel 7.2

Dit Besluit maatschappelijke ondersteuning treedt in werking op 1 januari 2015.

Het Besluit maatschappelijke ondersteuning 2012 wordt ingetrokken op dezelfde datum.

Dit Besluit wordt aangehaald als Besluit maatschappelijke ondersteuning 2015.

Aldus besloten in de collegevergadering van 16 december 2014.

Burgemeester en wethouders van de gemeente Bergeijk

De secretaris,                                                  De burgemeester,
 

W.A.C.M. Wouters                                           H.G.M. van de Vondervoort